Kaarsen in de paasnacht

Donker is nacht. En nacht kan betekenen: alle kleur uit het leven, verdriet, zorgen, misschien ook wel bang. Niet kunnen slapen vanwege al dat donkere. In de kinderpaasnacht was het in de kerk aan het begin van de avond nog niet donker, de lampen hoefden eigenlijk nog niet aan, maar je kon wel zien aan de twee leerlingen van Jezus voor in de kerk dat zij somber en verdrietig waren. Om de donkerte van wat zij meegemaakt hadden wat lichter te maken vertelden zij elkaar verhalen. ‘Weet je nog dat hij…’ ‘O en die keer dat…’ Al vertellende komt er weer wat levenslust terug. In de kerk worden telkens weer verhalen verteld om elkaar te troosten en aan te moedigen vol te houden. Voor echt licht van kaarsvlammen gingen de kinderen met de pastoor en alle aanwezigen naar buiten waar de grote paaskaars, die kaars die verwijst naar Jezus Christus, licht voor de wereld, werd aangestoken. Het valt niet mee om te blijven branden, dat merkten de kinderen ook. De wind maakte het best moeilijk! In het portaal kon iedereen zijn of haar eigen kaars aansteken aan die grote paaskaars. Samen met de liederen en gebeden was de kinderpaasnacht een fijne viering. Pastoor Wietse had nog een mandje met gekleurde eieren waarmee eitje tik werd gedaan: mooie en vrolijke momenten.
De paaswake die later op de avond werd gehouden kende ook vele mooie momenten, zoals het verdelen van het kaarslicht, het zingen van het Gloria, het ontvangen van brood en wijn en het elkaar zalig Pasen wensen. In de preek en in de voorbeden werden ook het donkere en onzekere van het leven en onze tijd genoemd. Het licht brandend houden, licht zijn, is zeker na de paasnacht een verlangen en uitdaging. Een nieuwe dag wacht ons.